18 maart 2016 Harm Post

Het Raadsel van de Drentse Aa

Het monument voor Harry de Vroome in het stroomdal van de Drentse Aa.

 

Harm Post in samenwerking met Henk van Blerck

Vlak voor het weekend een ‘longread’ voor de mensen die willen weten waarom er Nationale Landschappen bestaan.  

 

In 2015  was het  50 jaar geleden dat het ‘Gedachtenplan voor de Drentse Aa’  werd gepubliceerd. Het gedachtenplan leidde tot het behoud van het 30.000 hectare grote stroomgebied van de Drentse Aa. Volgens Het Nationaal beek- en esdorpenlandschap Drentse Aa vind je nergens in Nederland een beek als de Drentse Aa ”kronkelend haar weg zoekend door het landschap, zoals zij dat al eeuwen en eeuwen gedaan heeft. In dit uitzonderlijk gaaf gebleven landschap creëerden boeren gedurende duizenden jaren een grote rijkdom aan natuur; duizenden jaren cultuur in een waaier van meanderende beken.

Een nogal groteske uitspraak die verhult dat de Drentse boeren het wel anders had gewild, maar daarin werden gedwarsboomd door het gedachtenplan. De boeren werden vertegenwoordigd door het Drents Landbouwgenootschap (DLG). Het DLG werkte in de decennia na de tweede wereldoorlog hartstochtelijk aan het wegwerken van de achterstand en armoede in Drenthe. RuiIverkaveling was daarbij het belangrijkste instrument. In 1966 was het gedachtenplan een klap in het gezicht. Het DLG werd geconfronteerd met een plan waarbij de landbouwbelangen niet langer leidend waren maar volgend op die van natuur en landschap, en cultuurhistorie. Het DLG was razend en kwam met een reactie. De adjunct-secretaris J. Hingstman schreef in opdracht van het hoofdbestuur het rapport ‘Deining om de Drentse A’. Een scherp protest tegen het gedachtenplan. Het mocht niet baten. Het gedachtenplan werd uitgevoerd. Het kostte Hingstman zijn gezondheid. 17,5 jaar na het verschijnen van het gedachtenplan komt hij uitgebreid aan het woord in een artikel van Tessel Pollman in Vrij Nederland. De woede zit dan nog diep. Het waren niet zozeer de praktische bezwaren die pijn deden. Het DLG voelde zich tot op het bot vernederd. In het landschap van de Drentse Aa zagen zij geen duizenden jaren cultuur, maar duizenden jaren armoede. Het gedachtenplan perste de boeren in een ‘Volendammer’ keurslijf.

 

Voort in de vaart der volkeren.

Drenthe was in de naoorlogse jaren in de ban van de vooruitgang. De boerenbevolking was geïnspireerd door de ideeën over schaalvergroting van voorman Mansholt, die van juli 1946 tot januari 1958 onafgebroken minister van landbouw was en aan de wieg stond van de moderne, grootschalige landbouw. De voormannen van de machtige Cultuurtechnisch Dienst, zoals de directeur Ir. S. Herweijer, droegen de ideeën verder uit. Herweijer sprak in 1955 op een congres in Utrecht:

 

Indien men – door welke oorzaken ook – geen ernst maakt met de verbetering en vernieuwing van de structuur van agrarische gebieden met een vertraagde ontwikkeling zal de doorwerking hiervan op de agrarische productiekosten een funest effect hebben. Of de kosten van levensonderhoud van de Nederlandse bevolking zullen stijgen, òf hoge steunuitkeringen van overheidswege zullen noodzakelijk zijn, òf het agrarisch volksdeel zal verpauperen met als gevolg een abandonnering van landbouwgrond. Deze laatste drie laatste alternatieven zijn onaanvaardbaar”.

 

Ruilverkaveling was geen hobby, maar noodzaak en dat was in Drenthe niet aan dovemans oren gezegd. Tussen 1940 en 1960 steeg het areaal aan landbouwgrond door ontginningen met 20.000 ha. tot 190.000 ha (n.b. in 1833 was dit nog 79.000 ha.). De boerenbelangen werden in Drenthe behartigd door het Drents Landbouwgenootschap (DLG). Zij werkten effectief samen met de Cultuurtechnische Dienst.

 

Het DLG was in 1844 opgericht door notabelen als het Genootschap ter Bevordering van de Landbouw in de provincie Drenthe met als doel de boerenstand te verheffen. Ze organiseerden veekeuringen, bevorderden de ontginning, stimuleerden het onderwijs en ondersteunden de oprichting van coöperatieve zuivelfabrieken. Ondanks de oprechte belangstelling van de notabelen voor de landbouw bleef de organisatie tot de eerste wereldoorlog klein. De bevoogding van de boeren door het bestuur had daar zeker mee te maken. Daar waren ze niet van gediend.

Een reorganisatie in 1914 bracht daar verandering in. Het werd voor alle boeren mogelijk lid te worden van de organisatie en toe te treden tot het bestuur. Een explosieve groei van het ledental volgde. Gestimuleerd door de komst van de kunstmest en de werkverschaffingprojecten in de periode tussen de wereldoorlogen werden tot 1942 de heidegronden massaal ontgonnen. Een gedwongen fusie met de door NSB gedomineerde Landstand werd door het bestuur van het DLG geweigerd. Het gebouw, de dossiers en de overige bezittingen werden vervolgens door de Landstand geannexeerd en het DLG hield tijdelijk op te bestaan.

 

Direct na de tweede wereldoorlog werd het DLG in augustus 1945 opnieuw opgericht. De leden gingen met vernieuwd elan weer aan de slag. In de naoorlogse jaren telde het DLG meer dan 7000 leden en waren er een groot aantal mensen in dienst. Bij de verzekeringstak (het huidige Univé) werkten bijvoorbeeld 150 mensen. In de jaren 50 en begin jaren 60 draaide de ruilverkavelingmachine voortvarend. Midden jaren 60 was de stand van zaken ten aanzien van de ruilverkaveling als volgt:

 

Uitgevoerd                             17.321 ha. (31 ruilverkavelingen)

In uitvoering                          55.712 ha. (14 ruilverkavelingen)

In voorbereiding                   47.110 ha. (10 ruilverkavelingen)

Aangevraagd                          28.736 ha. (12 ruilverkavelingen)

Totaal                                    148.879 ha. (46 ruilverkavelingen)

Drenthe totaal                     268.000 ha.

 

Meer dan 56 % van de oppervlakte van de provincie Drenthe was op dat moment al verkaveld of betrokken bij een ruilverkaveling. Bij de ruilverkavelingen stond vanuit het perspectief van de DLG het belang van de boeren voorop.

 

Roepende in de woestijn

Harry de Vroome, de bedenker van het gedachtenplan, trad in 1946 in dienst van de Contactcommissie voor Natuur- en Landschapsbescherming als ‘propagandist voor de natuurbeschermingsgedachte’. Hij deelde de kamer met Victor Westhof. De bekende pionier van de vegetatiekunde en de natuurbescherming en een belangrijke inspiratiebron voor de Vroome. In 1948 trad De Vroome in dienst van Staatsbosbeheer. Door zijn direct leidinggevende, de belangrijke grondlegger van de landschapsplanning, R.J. Benthem, werd hij betrokken bij het werk voor de ruilverkavelingen van de nieuwe afdeling ‘Landschapsverzorging’. Het werk van de afdeling bestond uit het maken van landschapsplannen voor de aankleding van heideontginningen en ruilverkavelingen. Het aantal medewerkers was beperkt met als gevolg dat er een eenvoudige werkverdeling moest worden gemaakt tussen zijn collega Nico de Jonge en Harry de Vroome. Nico de Jonge maakte de plannen voor de lagere delen en Harry de Vroome voor de hogere delen van Nederland, waaronder Drenthe.

 

In de ruilverkavelingswet van 1954 werd, naast het plan voor wegen en waterlopen, een landschapsplan verplicht gesteld. Deze erkenning voor de landschapsverzorging in de ruilverkavelingswet  was een belangrijk succes voor de landschapsverzorging. De steeds sterkere lobby van de natuurbeschermers en de concrete resultaten van de afdeling ‘Landschapsverzorging’ betaalden zich hierin uit. Dat grotere belang zette zich ook door in een groei van de organisatie. In 1956 werd de landschapsverzorging gedecentraliseerd en in 1958 kwam De Vroome naar Assen als landschapsarchitect voor de provincies Groningen en Drenthe in dienst van Staatsbosbeheer. Vanaf 1965 was hij hier opgeklommen tot consulent Landschapsbouw en Natuurbescherming Deze dubbelfunctie verstevigde zijn invloed. De Vroome pakte zijn taak gelijk breed op en bemoeide zich behalve met de ruilverkavelingen ook vaak met de ontwikkeling van gemeenten.

 

In Assen werd hij in 1958 geconfronteerd met de uitwerking van de ruilverkaveling Peize-Bunne. De ruilverkaveling viel binnen de werking van de nieuwe wet, maar de aanvraag dateerde van voor 1954. Met het landschap werd daarom nauwelijks rekening gehouden. Het landschapsplan beperkte zich tot het aankleden van de bermen die in het plan van wegen en waterlopen werden uitgevoerd. Het was een versiering achteraf en letterlijk in de marge. In het jubileumboek van het Drentse Landschap (1984) noemt De Vroome de ruilverkaveling Peize-Bunne:

 

een absoluut dieptepunt voor wat betreft natuur- en landschapsverzorging. Het gebied is na de ingreep volkomen onherkenbaar tevoorschijn gekomen: het Bunnerveen en het Bongeveen werden op twee restanten na ontgonnen, een compleet beekdal, den Noord- en Zuid-Lange Aren, werd letterlijk van de kaart geveegd en de relaties met het omringende landschap zijn voorgoed verbroken”.

 

Bij de volgende ruilverkaveling, de ruilverkaveling Peizermade trad echter een kentering op. De ruilverkaveling viel in tijd volledig binnen de ruilverkavelingswet van 1954 en er moest meer gewicht aan het landschapsplan worden toegekend. De mentaliteit  in het gebied was nog niet gekenterd. De ideeën van Harry de Vroome riepen weerstand op. Tijdens een voorlichtingsvergadering in 1956 liepen de emoties hoog op. In de vergadering werd geopperd om in het ruilverkavelingsgebied alle bomen te kappen op één na. Aan deze laatste boom kon dan de man van het landschapsplan worden opgehangen. Een nogal on-Drentse uitspraak waar je nu niet meer mee weg zou komen.

 

Peizermade trok wel de aandacht van de Voorlopige Natuurbeschermingsraad waarvan De Vroome voor Drenthe en Groningen, niet toevallig, één van de belangrijkste adviseurs was. De raad kwam op bezoek. De Vroome gaf in het jubileumboek in 1984 aan:

 

Waarschijnlijk mede doordat de toenemende verontrusting over het omgaan met het landschap tot uitdrukking kwam in een bezoek van de Voorlopige Natuurbeschermingsraad aan Peizermade is, vergeleken met de voorgaande ruilverkaveling, meer inhoud aan het landschapsplan gegeven. Bij alle sombere opmerkingen over de beekdalen moet gesteld worden, dat in de eigenlijke Peizermade, onderdeel van de beekdalvlakte in het noorden, het resultaat is meegevallen door het vrij dichte slotenpatroon en de verheugend hoge waterstanden in die sloten. Daardoor zijn de kleine gespaarde reservaten geen bedreigde eilanden geworden maar functioneren ze nog als geheel.”

 

En het was juist dit geheel van het landschap dat de kern was van de argumentatie van De Vroome. Met de ruilverkavelingen Vries, Anloo en Rolde binnen het stroomgebied van de Drentse Aa in voorbereiding zocht De Vroome naar een andere rol en naar nieuwe mogelijkheden.  Het beekdalsysteem van de Drentse Aa was vrijwel niet genormaliseerd en het laatste volledige beekdal van Nederland. De Vroome zag dat verlies hiervan bij een normaal ruilverkavelingsproces onherroepelijk zou zijn. Het instellen van een landschapsreservaat voor het gehele patroon van stroomdalen zou dit kunnen voorkomen.

 

Onbegrip en onbehagen

Eind jaren 50 en aan het begin van de jaren 60 wordt het besef dat natuur- en landschapsbescherming belangrijk is groter. Nederland wordt rijker en ontworstelt zich aan de dwingende prioriteit die aan de voedselvoorziening is gegeven. De achterban van natuurbeschermingsorganisaties groeit snel en krijgt ook gehoor op ambtelijk en bestuurlijk niveau. Er is bovendien door de sterke economisch groei voor het eerst financiële ruimte voor andere dan economische belangen.

 

In 1963 verzocht de Natuurbeschermingsraad De Vroome een rapport op te stellen over het stroomdal van de Drentse Aa. De intentie van de raad was om de mooiste stukjes beekdal te beschermen en te sparen door ze te isoleren. De Vroome deed dit echter niet. Hij volgde zijn eigen filosofie, greep zijn kans en maakte een plan waarin het stroomdallandschap van de Drentse Aa als geheel kon blijven bestaan en 3500 ha. van het in totaal 30.000 ha. grote gebied als reservaat werden beschermd. Voor dit veelomvattende plan zocht hij steun bij de Provinciale Planologische Dienst (PPD) en bij het provinciebestuur van Drenthe. Hij passeerde daarmee het (eigen) ministerie van Landbouw en Visserij en zijn directe werkgever Staatsbosbeheer, en ging nog verder.

 

Er waren maar beperkte procedurele middelen om het landschapsplan ook daadwerkelijk te realiseren. Het opstellen van landschapsplan was weliswaar vastgelegd in de ruilverkavelingswet van 1954, maar er was geen zekerheid over eigendom, beheer en onderhoud van de elementen van het landschapsplan. Boeren en het DLG waren de landschapselementen liever dan rijk. Als niemand zich meldde tijdens de uitvoering om de elementen in eigendom te nemen kwamen ze er domweg niet.

In de ogen van De Vroome was Staatsbosbeheer, als overheidsorganisatie, de organisatie die er voor zou moeten zorgen dat het voorbestaan van de elementen van het landschap gewaarborgd werd door het beheer en eigendom van de elementen op zich te nemen.

 

Met steun van de toenmalige Commissaris van de Koningin van Drenthe, Gaarlandt, kreeg De Vroome zijn eigen directie zover. Hiervoor werd de directie van Staatsbosbeheer twee maal door de commissaris de les gelezen op het provinciehuis in Assen. De Vroome zat tijdens die vergaderingen, op diens verzoek, naast commissaris Gaarlandt. Staatsbosbeheer wilde de elementen alleen in eigendom, beheer en onderhoud als ze groter waren dan 5 hectare of breder dan 50 meter. Commissaris Gaarlandt zag dat dit een landschap opleverde dat volkomen in strijd was met het Drentse karakter. Tijdens het tweede ‘hartige’ overleg verdwenen de minimumeisen van Staatsbosbeheer van tafel. Het is een wonder dat De Vroome daarna niet is ontslagen. Sterker nog. Hij werd bevorderd.

 

De Vroome kon daarna definitief aan de slag met het “Beschrijving en gedachtenplan met betrekking tot het beheer en agrarisch gebruik, de landschappelijke en recreatieve ontwikkeling”. In september 1965 rondde hij het rapport af. Het rapport werd op 17 januari 1966 door het Provinciaal Bestuur van Drenthe aan de pers verstuurd met een uitnodiging voor een persconferentie op 25 januari. Op de persconferentie bleef onduidelijk wie verantwoordelijk was voor het rapport. Het rapport trof de boerenorganisaties als een donderslag bij heldere hemel. Zij waren niet in de planvorming betrokken en werden, via een persbericht, geconfronteerd met het plan voor het landschapsreservaat. Minimaal 3500 ha. agrarische grond werd aan het voor hen normale gebruik onttrokken. En er werden bovendien beperkingen opgelegd aan de landbouw. Het DLG zocht contact, maar verzoeken voor overleg werden stelselmatig genegeerd.

 

Pas meer dan een jaar later, op 30 januari 1967, vond er een eerste overleg plaats tussen Staatsbosbeheer en de boerenorganisaties. Uit dat overleg kwam voor het DLG voor het eerst aan het licht dat De Vroome het gedachtenplan op verzoek van de provincie had opgesteld. Een bijzondere wending omdat de rol van de Natuurbeschermingsraad, de oorspronkelijke initiatiefnemer en opdrachtgever, naar de achtergrond was verdwenen. Het initiatief lag nu volledig bij Commissaris  Gaarlandt. Het overleg van het DLG met Staatsbosbeheer op 30 januari was zinloos geweest. De provincie was aan zet.

 

Het pleit beslecht

Diezelfde provincie had intussen, op initiatief van Gaarlandt, ook de planologische procedure opgeschaald. In 1965 was nog in goed overleg met het DLG gesproken over het opstellen van ‘facetstreekplan voor natuurschoon en recreatie’. Een facetplan tast de belangen van de landbouw niet aan. Op 6 december 1966 schreef Commissaris Gaarlandt echter aan Provinciale Staten dat voor de realisatie van de plannen in het stroomdallandschap een afzonderlijk partieel streekplan noodzakelijk was. En zo geschiedde. Dit partieel streekplan gaf de publiekrechtelijke mogelijkheden om het gedachtenplan te realiseren en de landbouwbelangen te beperken. De interne brief van Gaarlandt van 6 december ging aan de aandacht van de boerenorganisaties voorbij, maar in het overleg van 30 januari met Staatsbosbeheer was de ernst van de situatie in volle omvang duidelijk geworden.

 

Op 19 april 1967 volgt nog crisisoverleg op het provinciehuis met de boerenorganisaties, Staatbosbeheer en het Ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk. Het overleg leidde in de ogen van de boeren tot niets. Het hoofdbestuur van het DLG besloot daarop tot het opstellen van een tegennota om het standpunt van  hen duidelijk te maken. Dit rapport ‘Deining om de Drentse Aa’, opgesteld door adjunct-secretaris J. Hingstman, werd op 4 september 1967 door het hoofdbestuur goedgekeurd. In de inhoud van het rapport klinkt de verontwaardiging over het gedachtenplan in iedere regel helder door.

 

Maar het is al te laat. Er is voor de boeren  een jaar verloren gegaan waarin de kansen waren gekeerd. De maatschappij was veranderd. De tijd waarin het agrarisch belang bij ruilverkaveling vanzelfsprekend prioriteit had was voorbij. Harry de Vroome had dit doorzien, via zijn Natuurbeschermingsraad een opdracht verworven voor het maken van het gedachtenplan en de invloedrijke steun bij de commissaris Gaarlandt gezocht en gekregen. Het DLG zag het gedachtenplan bij de publicatie in 1966 nog als een persoonlijke kruistocht van Harry de Vroome en dat was het op dat moment wellicht ook nog wel, maar een jaar later was het een kwestie van de hogere overheid geworden. Deining om de Drentse Aa is een felle reactie op het gedachtenplan, maar de reactie komt te laat. Inhoudelijk wordt er door niemand nog serieuze aandacht aan besteed.

 

De discussie tussen de provincie en het DLG verwordt daarna tot een Babylonische spraakverwarring tussen botsende culturen. Om hier uit te komen wordt op 15 maart 1969 een laatste, grote vergadering georganiseerd op het provinciehuis onder leiding van commissaris Gaarlandt. In totaal 71 deelnemers van alle betrokken organisaties zijn aanwezig. Het DLG is met 10 mensen vertegenwoordigd. Harry de Vroome is er ook, maar krijgt het woord niet. Vanuit Den Haag zijn onder andere ir. S. Herweyer, de directeur van de Cultuurtechnische dienst, en mr. F. Oorthuys, de directeur landschapsbouw en natuurbescherming van Staatsbosbeheer, opgeroepen. De verzamelde overheden willen nog wel praten over de inhoud van de plannen voor het gebied. Voorzitter Nysingh van het DLG, zelf ook boer, is er klaar mee en wil alleen afspraken maken over de hoogte van de grondprijs en de schadeloosstelling. Om uit de impasse te komen wordt besloten een vertrouwenscommissie, met daarin een vertegenwoordiger van het DLG (de jonge medewerker grond- en pachtzaken F. Post (vader auteur)) in te stellen die in overleg met Stichting Beheer Landbouwgronden kan onderhandelen over de hoofdlijnen van aankoop en compensatie.

 

In juni 1970 worden de onderhandelingen afgesloten en wordt er overeenstemming bereikt over de koopprijzen, de pachtvoorwaarden en de beheers- en bruikleenovereenkomsten. De waarde van de te verkopen grond wordt vastgesteld op f 4000,- (€ 1815,-) plus de agrarische verkeerswaarde. Gedwongen verkoop van landbouwgrond wordt uitgesloten. Het is de overheid duidelijk veel waard om het plan door te zetten. De zakelijke kant was daarmee, meer dan 4 jaar na publicatie van het gedachtenplan, opgelost. De rook trok weer op en de ruilverkavelingen Vries, Anloo en Rolde werden verder in gang gezet met het gedachtenplan als randvoorwaarde. De schermutselingen rond de Drentse Aa hadden de ruilverkavelingsprocessen  in totaal meer dan 6 jaar opgehouden.

 

De discussie liet diepe sporen na in de burelen van de DLG in Assen. In een artikel in de Vrij Nederland van 3 juli 1982, 17,5 jaar na het verschijnen van het gedachtenplan, komt de auteur van ‘Deining om de Drentse Aa’, de adjunct-secretaris J. Hingstman, ruim aan het woord. Het ergste vond hij dat in het rapport precies stond hoeveel kieviten en grutto’s in het gebied woonden. Maar hoeveel boeren er woonden die van geslacht op geslacht dit landschap gemaakt hebben, dat stond er niet in. Dat deed hem zeer en had hem ziek gemaakt. Zakelijk was het dan wel goed afgelopen, maar bij hem heerste nog een groot gevoel van vernedering. Hij vergeleek het stroomdal van de Drentse Aa met Volendam. Het natuurreservaat had, in zijn woorden, voor de mensen die met grote moeite tot welvaart zijn gekomen iets overbodigs, iets toeristisch, waar boeren met de zeis en een pet op het hoofd voor toeristen het landschap onderhielden. Voor hem en vele anderen was dat vooral iets vernederend ouderwets.

 

Harry de Vroome speelde het spel goed en daarom liggen er nog steeds ‘duizenden jaren cultuur in een waaier van meanderende beken’.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

HARM POST

Procesbegeleider bij het creëren van iets moois